Van kata naar waza

vorm vs techniek

katawaza

Vandaag de dag komen ongevoelige gedragingen en irritante houdingen vaker en vaker voor. Soms vraag ik mij dan ook af of de samenleving zo ingedut is, dat niemand zich er zelfs meer zorgen over maakt. In het oude Japan kon een Samurai die niet in staat was om een teken of een sfeer te herkennen, omkomen als hij niet meteen spontaan reageerde. Een ongevoelige Samurai kon daar niet overleven.
Tegenwoordig is dat nog steeds zo, zowel in Japan als in België; het is wel mogelijk om te overleven zonder fysiek sterk te zijn, maar ongevoeligheid zou iemands ondergang zijn. Een samenleving die ongevoelig is naar anderen houdt vaak de fatale zwakte in stand.

Vermits er geen competitie is in aikido moet je even aandachtig denken over je trainingswerkwijze. Het spiritueel aspect en studie is ook belangrijk, maar als die overdreven is, zal die al snel een idealistische training geven en zal het reële aspect van de training verwaarloosd worden. Kata (de vorm) en waza (de techniek) moeten duidelijk herkenbaar zijn in je training.

Aikidotechnieken, van oorsprong gebaseerd op het oude Jujutsu, zijn uiterst effectief in echte gevechten. De technieken zijn zelfs zo gevaarlijk, dat er geen competitie systeem voor bestaat en traditioneel is aikido altijd onderwezen geweest via de methode van vormherhaling (Kata). In principe maken Aikidotechnieken gebruik van bewegingen met blote handen. Zij bestaan voornamelijk uit Nage- (werp-), Kime- (blok-) en Osae- (klem- en controle-) technieken. De technieken (waza) worden uitgevoerd met ademkracht en samenvloeiende manipulatie, alsook door het berekenen van o.a. de juiste afstand en door gebruik te maken van de kracht en de lichamelijke zwakte van de tegenstander.

Het controleren van een tegenstander in een moment van zwakte stelt je in staat om zijn balans te verstoren als hij zijn zwaartepunt verlegd.
Daardoor wordt het mogelijk om Nage-, Kime- en Osae-technieken uit te voeren. Als je op de juiste manier profiteert van de zwakte van de tegenstander, kan je gemakkelijk Kansetsu-wazas (samengestelde technieken) of Atemi-wazas (het slaan op een vitale plaats-technieken) gebruiken.

Wanneer je een aanval gaat waarnemen, moet die gecontroleerd worden door een aangepaste begeleiding om zo die grote kracht in een onschadelijke richting te sturen. Dit begeleiden moet vloeiend en continu zijn. In elk geval mag je nooit directe weerstand bieden tegen de kracht aanval. “Begeleiding” betekent hier in feite niet “kracht gebruiken” in de fysieke betekenis van drukken, trekken of duwen. Elke directe actie tegen je aanvaller, zal bijna onvermijdelijk resulteren in een even directe reactie.

Zo zijn er voornamelijk drie mogelijke momenten van waaruit je de aanval kan sturen naar waar hij het zwakst is.
Ten eerste op het moment waar de aanval bezig is zich te ontwikkelen (b.v. ingaan als er getrokken wordt).
Ten tweede, op het moment waar de kracht begint te verdwijnen (b.v. wegdraaien als er geduwd wordt).
En tenslotte het moment daartussen, tijdens het convergentieproces.

In al deze gevallen wordt controle door begeleiding verzekerd door onmerkbaar in de aanval over te gaan en erin mee samen te vloeien (notie irimi-tenkan). Eenmaal het contact gelegd is en de controle bereikt, zal het mogelijk zijn de aanval in een gepaste neutralisatiebeweging te sturen. Begeleiden heeft ook gelijktijdig een mentale en een functionele (zowel dynamisch als technisch) betekenis. Je zal bijvoorbeeld wel bewegen om een aanval te ontwijken, maar de ontwijking is slechts één van de dynamische doelen. Je centreren om de geschikte techniek toe te passen is het andere mogelijk doel. Je zal dus in de eerste plaats bewegen omdat dit de manier is waarop je begint de tegenstander in de gewenste positie te leiden. Dus niet enkel om de aanval te ontwijken (notie plaatsen-verplaatsen).

Van groot belang bij dit alles is de uitrekking of extentie van de armen. Als je deze uitrekking niet constant kunt houden is het onmogelijk de techniek correct uit te voeren. Dit houdt enerzijds verband met een door de armen in een bepaalde richting uitstromende energie en anderzijds draagt de strekking van de armen bij tot de uitbreiding van energie vanuit het centrum (notie kokyu ryoku), die constant en centrifugaal moet kunnen blijven.
Hier wordt natuurlijk niet bedoeld dat de arm absoluut gestrekt moet zijn, maar wel dat je arm lichtjes gebogen is in de vorm van een halve cirkel. Hierdoor wordt het mogelijk de aanvalskracht te leiden en te sturen zonder plotse of bruuske schokken. Je armen mogen bij een aanval anderzijds ook niet in mekaar klappen. De halve cirkel (tegatana) moet intact blijven zodat de rest van het lichaam beschermd kan blijven, terwijl de aanval toch gecontroleerd wordt.

Deze vorm van energie soms ki-extentie genoemd is van groot belang (geen “ki”, geen aikido). De “ki”, die latent aanwezig is in ieder mens is vaak ongecoördineerd en teveel verspreid. De “ki” moet verenigd en gestabiliseerd worden dankzij je ademhaling. “Ki” wordt opgestapeld in je “centrum” (seika-tanden). Deze totale uitrekking of extentie wordt duidelijk in het principe dat elke beweging vanuit de heupen (hara) of het “centrum” moet vertrekken en een techniek uitgevoerd moet worden door je hele lichaam te bewegen en je volledig (onder controle van de hersenen) in de actie te betrekken. Dit betekent echter niet dat armen en benen geen functie hebben, maar wel dat deze functies geïntegreerd moeten worden in de bewegingen van het lichaam als geheel.

Zelfs esoterische beschouwingen over “ki” daargelaten, lijkt het niet meer dan logisch dat de kracht, voortgebracht door je lichaam dat als een geheel gebruikt wordt, groter is dan die welke slechts door armen of benen alleen geproduceerd wordt. In aikido dragen je benen de gecentraliseerde anatomie van de ene plaats naar de andere; je handen zullen de tegenstander grijpen of leiden, maar slechts fungerend als uitbreiding van en in overeenstemming met de bewegingen van je lichaam als geheel.

Als je deze trainingswijze (cirkelvormige leidende bewegingen aangevuld met een draai van het lichaam, alsook door opwaartse of neerwaartse buig- en/of strekbewegingen) gebruikt voor je technieken, zal je bloedsomloop en het functioneren van de interne organen merkelijk verbeteren. Het herhaaldelijk trainen van die samengestelde technieken helpt je lichaam soepel en veerkrachtig te blijven en voorkomt het stijf of zwak worden van je rug.

Enfin, zo verkrijg je misschien nog een juiste balans tussen lichaam (fysisch intern en extern gezond) en geest (gevoelig en spontaan).

Metsuke

In budo wordt hiermee bedoeld dat je alles om je heen ziet maar nergens op fixeert.

metsukeEenvoudig vertaald, betekent metsuke “blikrichting” of het juist gebruik van de ogen tijdens de beoefening. De metsuke moet correct zijn en gericht op de primaire tegenstander op een bepaald moment, of deze nu staat of zit. Uit je blik moet af te leiden zijn in welke situatie je je bevindt. In het begin heb je vaak de neiging om met de ogen te knipperen op een aanval of te snel afgeleid te zijn in je plaatsing, hetgeen effect heeft op je shisei of houding, en daardoor ook in je techniek. Niet naar de tegenstander kijken is bovendien ook levensgevaarlijk. Net als de lichaamshouding een rustige en stevig uitstraling moet hebben, mag je de blik niet laten dansen of afdwalen. De blik is op het hele lichaam van de tegenstander gericht. Een globale blik laat je toe om op het moment te reageren in een steeds veranderende realiteit.

Als de tegenstander zich achter je bevindt, zal je dit metsuke gegeven gebruiken om je lichaam naar de tegenstander toe te draaien en zo tot actie over te gaan. Daarbij leiden de ogen je lichaam, net als op de fiets of tijdens het wandelen. Wanneer je je bijvoorbeeld 180 graden moet omdraaien, zoals in shihogiri (slaan in de vier richtingen), zal je eerst omkijken, het hoofd enigszins draaien, en het lichaam vervolgens op een natuurlijke manier mee laten draaien. Wanneer de ogen je lichaam op die manier leiden, zal je niet snel verrast worden door een onverwachte aanval. Door op de correcte manier te kijken, kan je indien nodig wat verder draaien, of minder ver, of naar voren of naar achteren bewegen, al naar gelang hetgeen de situatie vraagt.

Het is echter van belang op te merken dat metsuke weliswaar ook betrekking heeft op een geconcentreerde blik in de richting van de tegenstander, maar dat gebeurt zonder deze te fixeren. Wanneer je ogen ergens op fixeert, zie je verder weinig of niets meer, en dat is dan ook gevaarlijk. Vandaar dat in budo ook wel eens de uitdrukking “enzan no metsuke” wordt gebruikt “kijken als naar een verre berg“. Wanneer je een berg in de verte kijk, zie je niet alleen die berg, maar ook de omgeving, zelfs wat er opzij en schuin achter zich gebeurt. Welnu, met die wijds blik moet je beoefenen: kijken naar de tegenstander, en alles zien.

Samengevat moet je blik gericht zijn op een bepaald afstand, zonder je blindelings te fixeren, en eerder naar alles kijkend op gelijke basis, in alle richtingen in een evenwichtige verhouding. Je moet niet perse elke detail van je tegenstander bekijken, ten nadele van mogelijke of ongekende gevaren. Wel is noodzakelijk inzicht te hebben in de afstand tussen je tegenstander en de snelheid van zijn beweging. De tegenstander zal dan in het centrum van je gezichtsveld staan, zonder dat hij een zichtbaar gefixeerd punt vormt. Vandaar de woorden van Musashi: De waarneming is sterk, het zicht is zwak

En nu zien of wij meer inzicht hebben verkregen…

Waza

De techniek of vrij vertaald omgang

wazaDe grote uitdaging en aantrekkingskracht van aikido ligt waarschijnlijk besloten in de manier waarop je om kunt gaan met jezelf, met anderen en met je omgeving: de boodschap van O Sensei’s aikido was dan ook “ai = liefde”. De technieken zijn middel om dit doel te verwezenlijken via zuivere, grote en open omgang.

Het beoefenen van de technieken alleen, zonder inhoudelijke betekenis of achtergrond, is in feite een soort symptoombestrijding: je leert je wel te verdedigen tegen aanvallen, maar zonder enig besef van het waarom of van waaruit zij voortkomen. Daarom is de kwaliteit van een aikidobeweging een noodzaak. Het is echter niet gemakkelijk om kwaliteit te definiëren. Het is een geheel van kenmerken, principes, intenties en uitvoeringswijzen, van waaruit een overtuigende en waardige beweging als vanzelf voortkomt.

Kwaliteit dient dan ook door hard werken en integer zoeken ontwikkeld te worden in de praktijk van het dagelijks oefenen. In aikido wordt dus een zekere houding gevraagd van begrip, van invoeling, van harmonie. Alleen concrete oefening en verworven inzicht, ook wel eens “zelfoverwinning” genaamd, maken het mogelijk om een grondig einde te maken aan de fundamentele conflicten die ons bezig houden (cfr. Masakatsu, Agastsu, katsuhayabi). De beste garantie voor het verwerven van kwaliteit ligt in je motivatie om te oefenen.

Ik heb het al vaker gezegd: je haalt uit aikido wat je er in legt. Het doel dat je je stelt, de verwachting die je hebt, bepalen jouw manier van oefenen, elke keer opnieuw. Hoe meer diepgang je daaraan geeft en hoe groter je betrokkenheid is, en hoe rijker je aikido zal blijken te zijn. De dojosfeer en de inbreng van ieders persoon biedt hierbij de mogelijkheid om belangrijke en persoonlijke waarden te (her)ontdekken. Zorg op zijn minst dat je anderen niet verhindert daaraan toe te komen.

Gezien de doelstelling van aikido “ai = harmonie” is er geen sluitend systeem van technieken denkbaar. Elke situatie vraagt om eigen oplossingen. De hieronder beschreven vormen dienen als uitgangspunt en basis voor het ontwikkelen van een zo vrij mogelijk aiki-bewegingen. Van O Sensei is de volgende uitleg over het verloop van alle aikido-technieken afkomstig: je begint met eendriehoeksvormige opvang (inkomend of wegstappend), dan voer je uke (aanvaller) mee in een cirkelvormige controle, en de afwerkingvindt plaats in een vierkant-relatie tot je partner. Voor een juist uitvoeren van de technieken is dus het vinden van natuurlijke curves, die het mogelijk maken om ontspannen te blijven bewegen. Ga nooit tegen de kracht in, maar geleid de aanval in het verlengde van de richting waaruit hij komt. De verantwoordelijk voor een dwingend verloop van deze curves zijn niet je armen of benen, maar is je heup (centrum). Zo kan de sensatie ontstaan dat je werkelijk samen één lichaam vormt dat een oplossing zoekt voor de disharmonie die de partner met zijn of haar aanval heeft veroorzaakt. Anticiperen (de aanval voorvoelen) en juiste timing zijn hierbij doorslaggevend. Niet snel werken, maar goed werken is de enige garantie voor duurzame kwaliteit.

Hiervoor bestaan er verschillende werkvormen waarin de technieken kunnen worden uitgevoerd: zittend op de knieën (suwari waza), zittend tegen staande partner (handachi waza), of staand tegen staand (tachi waza). Ook op de aanvallen dient er gewerkt worden. Deaanval moet oprecht zijn, geladen en gesteund vanuit het hele lichaam. De meeste zijn frontaal met al dan niet een combinatie van grijpen of slaan. Aanvallen van achteren (ushiro waza) vormen ook een belangrijk gebied in aikido-beoefening. De belangrijksteverdedigingstechnieken zijn dan weer gegroepeerd in: Katame waza: klemtechnieken (bvb. ikkyo), nage waza: worptechnieken (bvb. shihonage) en kokyu waza. De kokyu-technieken zijn open werkvormen, met een minimum aan klemmen, grepen of andere functionele controlevormen. De hele techniek hangt af van tori’s uitvoeringskwaliteit. In feite zijn alle aikido-technieken kokyu-technieken, maar de veelheid van toegevoegde details bij nage waza en katame waza maakt het moeilijker ze als zodanig te ervaren. Verder zijn er veel mogelijkheden met de wapens: het zwaard (bokken), de stok (jo) en het mes (tanto). Bokken- en jo-bewegingen kan men individueel (suburi) of met partner oefenen (ri-ai, aiki-ken, aiki-jo) Men kan technieken mét de wapens uitvoeren tegen een partner die het wapen vastgrijpt (ken waza, jo waza, tanto waza). En men kan technieken uitvoeren om uke’s wapen af te nemen (ken dori, jo dori, tanto dori). Dan is er het groepswerk: gegrepen door twee partners tegelijkertijd (futari dori) of aangevallen door meerdere partners (kakari geiko). En tenslotte de combinatie-technieken (henka waza), de overname-technieken (kaeshi waza) en de vrije uitvoering van technieken(jiyu waza). Dit voltooit het perspectief van eindeloze toepassingsmogelijkheden dat aikido biedt. Het is wellicht niet voor niets dat aikido zo’n veelomvattende discipline is waarin men nooit raakt uitgeleerd. De “Weg van harmonie” is een levenslang pad van ontplooiing: hoe ouder de aikidoka (niet in jaren maar in ervaring), hoe beter hij of zij wordt. Niet beter dan anderen, maar beter dan zichzelf.

Kime

Controle – Shodo-o-Seisu, letterlijk “als eerste de beweging controleren”

kimeShodo betekent “eerste beweging” en seisu “controle”.
Daarom betekent shodo-o-seisu letterlijk “als eerst de beweging controleren” .
Nochtans, is shodo-o-seisu vaak onbegrepen; het heeft een diepere betekenis dan eenvoudigweg zijn tegenstander met snelheid of techniek te overmeesteren.

In feite is het eerder kalm te kunnen blijven op elk moment en met de juiste houding in je dagelijks leven steeds klaar te zijn alvorens een conflict of situatie zich voordoet. Onze energie (ki) zou kalm moeten blijven zodat wat er ook gebeurt, je energie (ki) zich dan in die “situatiestroom” kan mengen om erzich in te versmelten.

Een goed voorbeeld van shodo-o-seisu vinden we terug in kokyu-ho.
Laat eerst je partner grijpen op de polsen met al zijn/haar kracht en probeer dan je lichaam te bewegen. Je zal vinden dat je veel sterker moet zijn dan je partner om hem/haar te bewegen. Nu, visualiseert je ki die als natuurlijk “wapen” dat wegvloeit en denk dat je hem/haar als eerste raakt. Je zal dan natuurlijk de situatie van bij het begin controleren en zo je partner met meer gemak kunnen in beweging brengen.

Het principe van shodo-o-seisu helpt men een dieper inzicht in het onderwijs O’Sensei’s van “masakatsu agatsu hebben“ of de “ware overwinning is zelfoverwinning“. Als je kalm de controle kunt houden, zal je dan niet alleen een manier vinden om de tegenstander te controleren maar ook de situatie kunnen inschatten alvorens te drastische maatregelen noodzakelijk zouden worden. Er zal dan geen behoefte meer zijn waar er een winnend of verliezend partij is, aangezien er ook geen conflict zal zijn. Eigenlijk zullen beide kanten de winnaar zijn – de zogenaamde aanvaller zal niet te hoeven aan te vallen en de zogenaamde verdediger zal niet te hoeven te verdedigen. Daarom moet men eerst leren onszelf te controleren alvorens te proberen om anderen te harmoniseren of te controleren. Het is tevens door zelf-controle dat men kan leren om op een harmonische manier van het leven te genieten.

Technisch kan kontrole met de term kime (controle of beslissing) aangeduid worden.

De kime wordt pas goed toegepast, wanneer zijn lichaam en geest in balans zijn tijdens de uitvoering van een techniek en wannneer op elk moment van het “gevecht” over gegaan kan worden op een andere of aangepaste techniek zonder (zichtbaar) te anticiperen op een (nieuwe) aanval van de tegenstander.

Er kan op drie momenten kontrole (reactie) ontstaan op een aanval (actie), maar O sensei was ervan overtuigd dat het in Aikido niet juist is om sen (initiatief) op te delen. Aangezien we in Aikido niet aanvallen en meer wordt verondersteld geheel verdedigend te zijn, lijkt het – in zijn uiterlijke vorm – go no sen te zijn (wachten met het begin van de verdediging tot de aanvaller zijn aanval niet meer kan aanpassen en er dan pas op reageren). Echter, als we altijd op een actie moeten beantwoorden, dan zullen we ook snel vervallen tot kleine hakkelige bewegingen. In feite worden we verondersteld om in staat te zijn onze partners tot beweging te verleiden of uit te nodigen. We praten niet over geslagen worden, maar over het veroorzaken van een bepaalde manier van aanvallen. De verschijningswijze van deze training op de mat is tai no sen, of gemeenschappelijk initiatief (in verdediging gaan door eigenlijk iets sneller te reageren dan de aanvaller). Hier worden we niet vastgegrepen, maar we veroorzaken dat iemand ons vastpakt. Als je wacht totdat iemand je vastheeft, dan is het al te vaak te laat. Feitelijk moeten wij op het spirituele niveau altijd voor onze partners uit bewegen, spiritueel altijd voor hen uit zijn, zorgen dat hij/zij ons op een bepaalde manier vastpakken of aanvallen (sen no sen). Dit is hier ook erg duidelijk in suwariwaza ryotedori kokyo ho (zittende adem-kracht oefening). We moeten niet gaan zitten en ons door onze partner laten vastpakken. We moeten onze handen naar voren uitstrekken en zorgen dat hij ons op een bepaalde manier pakt. Het op deze wijze uitvoeren verschilt totaal van het worden vastgegrepen of het worden aangevallen.

In Aikido is er dus maar één sen. Wat wij in de training van Aikido zien is een manifestatie van verdedigende go no sen-initiatief gecombineerd met sen no sen-initiatief op het spirituele niveau. Tezamen manifesteren zij zichzelf in de training als tai no sen.

Shoshin

Aikido beoefenen met een frisse aanpak en denkwijze.

shoshinIn het Japans drukken wij dit concept uit met de term Shoshin of ‘het hart van de eerste keer’.Sho betekent eerste, het begin. Shin betekent verstand of brein, geest

Het leren van de technieken neemt veel tijd, maar geleidelijk aan kun je met wat tijd (soms jaren ) de technieken uitvoeren alsof ze een deel van jezelf zijn. Hoewel het dus lijkt alsof men keer op keer dezelfde technieken traint, iedere dag weer, zal, wanneer je ze met shoshin traint, met de frisse benadering van een beginner, je ‘ingesteldheid’ zich verdiepen en zullen je technieken aan diepgang en inhoud winnen.

Elke training is belangrijk en behoort alleen bij het moment dat deze plaatsvindt. Dit idee kan tot uitdrukking worden gebracht door gebruik te maken van het Japanse woord uit de thee ceremonie: Ichi-go, Ichi-e, dat betekent dat je de persoon tegenover je beschouwt als iemand die je voor de eerste keer en mogelijk ook voor de laatste keer in je leven tegenkomt. Dit houdt in dat wanneer je tegenover je trainingspartner staat je dit altijd moet doen met het gevoel dat dit de eerste en de laatste mogelijkheid is die je hebt om je met hem te verbinden. De gedachte om op ieder moment bereid te zijn om te sterven als men doelgericht heeft geleefd hangt samen met de geest van Aiki om waarde toe te kennen aan alle dingen en alle mensen. Het is niet gemakkelijk om dit in korte tijd te begrijpen of om deze instelling te bereiken. Maar als wij met volle inzet oefenen dan kunnen wij iedere dag vooruitgang maken en evolueren.

Wanneer we echter ons laten leiden door onze opgedane ervaringen, technieken, graduaties kunnen we snel in arrogantie of hoogmoed vervallen.
Faam en reputatie weerhouden ons dan algauw om nog verder te zoeken, en stopt onze evolutie.
Evolueren is een belangrijk doel. Evolueren bereik je enkel door te oefenen, onvoorwaardelijk en regelmatig. Dit is wat je telkens weer hoort bij grootmeesters.

De “weg” is oefenen en blijven oefenen en nog eens oefenen.

Bewegen

met open oog reageren op de omstandigheden

bewegenOmstandigheden wijzigen zich, mensen verplaatsen zich, ideeën veranderen, alles is voortdurend in beweging. Aikido is fundamenteel: bewegen, met open oog reageren op de omstandigheden. De kwaliteit van onze oefening zal een duurzaam en permanent aanwezig karakter moeten dragen, wil zij werkelijk van waarde zijn.

Om nu continuïteit te garanderen als een voorwaarde voor goed oefenen, is het belangrijk om heel objectief te staan tegenover jezelf, bereid om af te leren, los te laten, belangeloos te worden en daarmee open te staan voor datgene waarmee de omstandigheden het beste gediend zijn. Aikido is werken in dienst van harmonie, en niet een verwerven van imposante vaardigheden.

Als je je deze houding van voortdurende aandacht (naar jezelf met name) enpermanente verbondenheid (naar je partner) door intensief oefenen eigen maakt, zal continuïteit vanzelf voelbaar worden in je alledaagse leven, in en buiten de dojo. Vroeger liet men nieuwelingen beginnen met een jaar of twee, drie huishoudelijk werk te verrichten. Alles wat je doet of laat, kan materiaal zijn om te oefenen.

In de budo-situatie (potentieel conflict) is er steeds sprake van een “lijn” die de kracht van de aanvaller(s) moet afleggen naar jou toe. Het is zaak om op een efficiënte manier rond deze aanvalslijn te bewegen en er gebruik van te maken, in plaats van statisch op deze lijn te blijven wachten. Zo verminder je het vermogen van de aanvaller om zich op één punt te concentreren, en houd je het initiatief aan jezelf.
Ten opzichte van de aanvalslijn zijn er twee dimensies denkbaar waarin je je beweegt. De eerste is de Noord-Zuid-lijn, d.w.z. naar voren bewegen (naar je partner toe) of naar achteren (van je partner vandaan). Het inkomen heet “irimi”, het terugstappen heet “tenkan/kaiten”; zowel irimi als tenkan vinden steeds lichtjes naast de aanvalslijn plaats.
De tweede dimensie is de Oost-West-lijn, d.w.z. het je bewegen naar de buikzijde of de rugzijde van je partner. De aanvaller (“uke”) staat steeds in “hanmi” (letterlijk: half lichaam), d.w.z. voorste voet naar voren gericht, achterste voet dwars, beide voeten op één lijn naar jou (“tori”, de uitvoerder) toe. De buikzijde van uke heet “omote”, de rugzijde “ura”.
De bewegingen in aikido kennen dus steeds tegelijkertijd deze twee dimensies: je beweegt je óf voorwaarts (irimi) óf achterwaarts (tenkan/kaiten), en óf buikwaarts (omote) óf rugwaarts (ura). In principe bestaan er zo vier reactiemogelijkheden om op een aanval te bewegen: irimi-omote, irimi-ura, tenkan-omote en tenkan-ura. Beschouw deze vier patronen (verhoudingen tussen uke en tori) als de basis voor verdere verwerking van de aanval met behulp van technieken.

Ma-ai: juiste afstand
De afstand in een krijgssituatie – en daarbuiten – is meer een relatie, een onderlinge verhouding, dan afstandelijkheid. Het is een dynamisch proces waarbij ook (en vooral) psychologische factoren een belangrijke rol spelen: de intentie van de aanvaller enerzijds, de gesteldheid van de verdediger anderzijds.
Een goed inschattingsvermogen van de afstand is dus onontbeerlijk. Het bepaald mee waneer een techniek zal lukken of wanneer men zich kwetsbaar opstelt.  Beginners schatten afstand vaak verkeerd in en denken dat deze te groot is voor een techniek.  Anderzijds mag de ma-ai ook niet te klein zijn bij sommige technieken daar dit de goede afwerking en zanshin kan belemmeren.
Er zijn voornamelijk drie afstanden waar men zich kan bevinden :
Te ver opdat je tegenstander je zou kunnen raken : To-Ma
hier zal de aanvaller eerst in moeten stappen tot op effectieve afstand
Issoku-ito no ma : is de afstand waarbij men kan raken met 1 stap voorwaards. De tippen van de bokkens of handen raken elkaar.  Issoku=1stap, Itto=1slag.
Ten slotte is er ‘Chika-Ma : hier zijn de beoefenaars dicht genoeg om elkaar te treffen zonder stap.  De zwaarden of handen kruisen elkaar.
Zorg dat er onderling ruimte blijft om de kwaliteit van je beweging te handhaven: werkend vanuit je centrum, ontspannen met extensie. Houd zodanig afstand dat je partner gedwongen is een stap naar voren te maken om jou te bereiken. Daarbij is het van groot belang om de impuls (het begin) van de aanval juist waar te nemen.

Metsuke
De blik is dan ook niet gericht (gefixeerd) op een specifiek deel van de aanval; je houdt globaal de hele persoon en situatie in het oog. Dit geldt evenzeer voor het werken met wapens: niet het wapen maar de aanvaller dient gecontroleerd te worden.

Awase
De bewegingen worden geleid in cirkelvormen, soepel en gecoördineerd, zonder de aanval abrupt te breken of te blokken. De aanvalskracht wordt juist benut en verder gestuurd vanuit een werkzaam centrum. De partner wordt zo voortdurend in beweging en uit balans gehouden. Tori vormt de stabiele as van een cirkelvormige beweging (horizontaal, verticaal, ovaal- of spiraalvormig) waaromheen uke wordt gevoerd en geleid.

Ukemi
Ook het rollen of valbreken (“ukemi”) is wezenlijk een voortzetting van de beweging, waarmee je de juiste verhouding tot je partner(s) in stand houdt. Daarbij gelden dezelfde algemene aikido-principes, zowel bij de voorwaartse (mae ukemi), achterwaartse (ushiro ukemi), zijwaartse (yoko ukemi) en vrij rol (tobi ukemi): ontspan, werk vanuit je zwaartepunt (centrum) en bewaar je innerlijk verband (extensie).

Junanshin

of soepel bewegen

Aikido beoefenen is en blijft moeilijk.
Wanneer je eindelijk zowat weet hoe je handen en voeten moeten bewegen, dan wordt je weer geconfronteerd met hindernissen als correcte ademhaling, gepaste afstand, de juiste aanval…

Over de juiste manier van aanvallen bestaan er zeer uiteenlopende opvattingen. Dit heeft vooral te maken met de verschillende uitleg die gegeven wordt over het doel en de oorsprong van de aanval.
Het belangrijkste is het besef dat Tori (verdediger) en Uke (aanvaller) samen vorm geven aan de aikidobewegingen.
Dit houdt in dat ook Uke actief streeft naar harmonie in de beweging.
Dat wil niet zeggen dat uke vanzelf valt en tori eigenlijk niets meer hoeft te doen.
Uke moet zich volledig in een aanval moeten storten en geven, zonder vooropgezet idee over welke techniek wordt uitgevoerd en hoe te moeten vallen. Hierbij moet hij de samenhang van zijn lichaam leren bewaren en dus soepel meevolgen.
Het is echter tijdens de gewone trainingen niet gemakkelijk zo te werken omdat men hier weet welke techniek wordt uitgevoerd en waardoor snel automatismen optreden.

Verder is soepel bewegen in aikido voornamelijk te waarnemen bij meer ervaren aikidoka’s. Neem de rol- en valtechnieken. Het technische gedeelte moet worden aangeleerd, waarbij de vorm wordt gedicteerd door ervaring en overlevering van de gevorderden. Toch blijft rollen ook iets waar je gevoel voor moet ontwikkelen. Het kontakt met de mat hoort zo zacht mogelijk te verlopen. Een aikido beoefenaar voelt zelf het beste waar oneffenheden in zijn rol zitten. Hij kan door meer te ontspannen en door zich meer over te geven aan de rol, zijn rol steeds verder verbeteren. Het moment van rollen moet worden bepaald door tori. Hierbij moet men een gevoel ontwikkelen om niet te vroeg te vertrekken (anticiperen) en niet te laat te gaan (blessuregevaar).

Dit hele verhaal gaat ook op voor het soepel volgen van een beweging. Ook hier is timing, ontspanning en overgave van belang. Daarnaast is ook het imiteren van ervaren aikidoka’s, om de beste lijn van beweging aan te leren.
Het belangrijkste is dan voor mij, dit geld ook voor gevorderde aikidoka’s, om steeds kritisch te blijven kijken naar hun eigen manier van volgen in de techniek. Door meer te ontspanning en beter samenhang zullen bewegingen minder stroef verlopen.
Vaak wordt er bij het niet vloeiend verlopen van een beweging gekeken naar tori, die de beweging niet goed zou uitvoeren. Mijns inziens zijn zowel uke als tori medeverantwoordelijk voor een soepele beweging.

Het invullen zonder teveel in te vullen is een dun koord, waarop de aikidoka voortdurend balanceert. De bereidheid om dit te onderzoeken en niet op zijn gevorderde automatismen te vertrouwen, is de enige mogelijkheid om een betere uke te worden.

Ki-musubi

Of de energie die in alles wat leeft aanwezig is en die alles in ons universum met elkaar verbindt.

kimusubi

Aikido kan je niet leren door praten, luisteren, lezen of schrijven: aikido kan je alleen maar leren door te doen!
Wel zal het erover praten, lezen, schrijven en naar luisteren je helpen de diepere betekenis te doorgronden, nadát je lichaam detechnieken heeft ‘gevoeld’.
Na twintig, dertig of veertig jaar bestudeer je nog steeds aihanmi katate dori ikkyo, dezelfde techniek als op je eerste renshu of training, maar toch wordt deze elk jaar anders, beter, mooier, gemakkelijker, subtieler, efficiënter, interessanter.

Na verloop van tijd begin je je los te maken van de vorm. Wat overblijft is de energie van de techniek: een wisselwerking tussen de energie van de partners die samen aikido beoefenen. Op dat ogenblik begin je de opbouwende energie van de techniek, de ki, te voelen. De ki-energie van de beoefenaar is dan niet langer aan een vorm of kata geketend, De aikidoka kan dan vrijuit bewegen.
Om dit hoogste doel te bereiken moeten natuurlijk vele stappen doorlopen worden via diverse trainingsvormen. Zo onderscheid je ko tai, ju tai, eki tai en ki tai.
Ko tai is het eerste niveau, waarin stevig en precies gewerkt wordt en waarbij fysieke kracht wordt gebruikt. Op het tweede niveau, ju tai, werk je met souplesse en zonder onnodige spanning. Eki tai, het derde niveau, kan je vergelijken met het stromen van water. Je beweegt op het moment zelf van de aanval en gebruik je daarbij de beweging en de richting van de aanvaller. Op het niveau van ki taiverkrijg je ki awase, het ontmoeten van ki. Hierbij geeft tori (verdediger) een opening aan aite (aanvaller) om aan te vallen, doch wanneer aite aanvalt… is er niemand meer, maar aite wordt volledig opgenomen door de aktie van tori. Wanneer je deze fase perfectioneert, spreekt je van ki musubi.

De Ki-musubi gedachte steunt op drie pijlers:
wederzijds respect, vertrouwen en veiligheid, waarop de aikido trainingen kunnen plaatsvinden.
Als deze voorwaarden er zijn, kan begonnen worden met de training (keiko).
Wanneer we oefenen, geven we onszelf aan elkaar. We proberen niet de andere te kwetsen, maar proberen integendeel te bekomen dat de andere zich heel goed voelt in onze handen. Op die manier creëren we een geest van vertrouwen. Hoe meer de partner ons vertrouwt, hoe meer hij of zij zichzelf geeft met opbouwende energie en hoe moeilijker en interessanter zijn of haar aanvallen worden tijdens de training. Dit laat toe om je eigen techniek te verbeteren, waardoor de andere zich nog beter zal voelen, waardoor we nog meer vertrouwen verkrijgen en dus nog meer positieve energie ontvangen waardoor we opnieuw kunnen groeien, enzovoort.

Ri-ai

Of samengang – Ri: rede, Ai: harmonie.riai

In aikido zal de riai voornamelijk de universaliteit van de fundamentele principesweerspiegelen. In meer concrete termen: de logica van de bewegingen.

Deze logica zal zich in drie punten uiten:

1 De afstand. Zo zal (bij wapen gebruik) de actie van de aanvaller die te dicht of te ver staat ten opzichte van zijn partner niet logisch overkomen vermits zowel de ene actie als de andere zijn doel niet zal bereiken zoals het hoort.

2
Het doel. Het is van essentieel belang te weten op welk lichaamsdeel de techniek wordt uitgevoerd.

3
Het juiste moment. Vaak “timing” genoemd. Misschien het meest subtiele aspect van de ri-ai. Door de herhaling van een oefening ontstaat vaak een anticipatiegevoel.
Als deze neiging niet steeds en streng gecontroleerd wordt, zal men snel in een slechte choreografie terugvallen. Zo kan een aanvaller heel bewust een slag geven in de lege ruimte achtergelaten door de verdediger.

De twee eerste punten zullen vrij snel opgenomen worden. Het derde punt vergt echter jaren training. Een geanticipeerd gevoel perfect controleren van een oefening waarvan men het verloop kent, is geen sinecure.

Hier nog enkele richtlijnen:
Speel het spel alsof je erin gelooft, neem risico’s (redelijke) en verplaats je op het laatste ogenblik*, en tracht door stevige en continue training aan een verplaatsing boven het gemiddelde te komen.

Een gedoseerd gevaar is absoluut noodzakelijk om het martiaal karakter te behouden van de technieken. Een gevecht waar de notie risico ombreekt, is geen gevecht. Het is een spel. Deze vorm van risico verbetert ook aanzienlijk andere fundamentele aiki-principes zoals zanshin, shisei en ma-ai.
Eigenlijk is dit risico eigenlijk niets ten opzichte van een reële gevecht. In een context van een traditioneel japans gevecht met gelijke wapens tussen twee tegenstanders zijn de slaagkansen 33% en geen 50 % zoals men zou verwachten. Deze mathematische formule moet je begrijpen als volgt:
33% slaagkansen te winnen, 33% te verliezen en 33% te winnen al stervend. (ai uchi: gelijke slag) Het resterend procent is voor een andere verstandhouding.
Weinig bedrijfsleiders zouden in een onderneming investeren met 66% kans op mislukking. Eigenlijk zou iedereen daaraan moeten denken voor ze een open confrontatie aangaan. Zo begrijpt men dat een confrontatie als een oorlog één van de minste intelligente oplossingen zal zijn, en dus enkel als allerlaatste middel zou moeten ingezet worden.

Riai is dus een geestes houding en een notie die vanaf het begin aandacht moet krijgen.
Als men om het even hoe slaat of verdedigt, om het even wanneer of om het even wat, dan moet men ook aanvaarden dat men om het even wat beoefend, maar zeker geen aikido meer.

Irimi – tenkan

O-Sensei schreef hierover in wakavorm:

Als de vijand mij voor zich ziet
Valt hij aan,
Maar tegen die tijd
Sta ik al
Veilig achter hem

irimi-tenkan  Naargelang de aanval, het moment waarop je ze opmerkt en de afstand bieden zich twee mogelijke manieren aan om een aanval te ontwijken en te ontvangen, namelijk Irimi en Tenkan.
Bij Irimi ga je vooruit, en treed je recht in de ruimte van de partner, want ze is heel direct, kort en haast rechtdoor.
Bij Tenkan daarentegen laat je de aanval voorbij gaan door te draaien rond je eigen as (Tai Sabaki) en treed je de leegte achter de partner binnen.

Ik zou nu graag een eenvoudige verklaring willen geven over deze basisprincipe Irimi en Tenkan. Bij Irimi-Tenkan kan men aan twee betekenissen denken:
Er is een Irimi-Tenkan die zichtbaar is voor het oog in de beweging; maar de tweede betekenis is meer spiritueel en onzichtbaar. In het laatste geval betekent Irimi binnentreden in het gevoel van de partner, binnengaan in zijn geest. Tenkan betekent verandering, kracht ontlokken en omzetten in schoonheid, een kwalitatieve verandering.
Dit is wat we de spiritualisering van de techniek zouden mogen noemen. Net zoals Kokyo is samengesteld uit twee bestanddelen namelijk uitademen en inademen, zo bevat Irimi-Tenkan ook twee bestanddelen. Zij zijn beide de uitdrukking van hetzelfde, zoals de twee zijden van een muntstuk. Ook is de methode van Aiki Kokyu niet iets dat op zichzelf staat: het moet werken in iedere techniek. Op deze manier bekeken is Aiki een beginsel van opvoeding: het kan de zwakken sterk maken en de slechten goed.

We moeten met de grootste zorgvuldigheid de basistechnieken leren – de Katame-Waza: of kontrole technieken, en de Nage-Waza of de werptechnieken. Deze komen allen uit één bron voort maar ze worden op iets verschillende manieren uitgedrukt. Al deze technieken hebben een samenhangende kracht of ze nu omote of ura, dan wel uchi of soto zijn. Als we er op deze manier naar kijken, is Aikido erg dynamisch. Irimi-Tenkan betekent verandering of overgang van voor naar achter of vice versa. Tussen links en rechts zijn er oneindig veel punten: ditzelfde geldt voor vóór en achter. Je kunt dit beschouwen vanuit het algemene naar het bijzondere omgekeerd; je kunt naar de dingen kijken vanuit het tegengestelde standpunt. Dit is erg belangrijk in aikido.

Concreet betekent dit: wanneer een sterke man afhankelijk is van zijn kracht tijdens technieken, dan zal hij ze nooit goed begrijpen. Onder deze omstandigheden, zelfs al heeft men kracht dan moet men deze ontkennen. Het is een belangrijk onderdeel van Aikido dat de zeer zwakken kunnen leren bewegen en kunnen slagen. Als deze grondregel is begrepen dan kun je in jezelf het vermogen ontdekken om te bewegen. De sterke man die vertrouwt op zijn kracht kan deze ontdekking niet doen, wat hij ook doet, en omgekeerd heeft de zwakke man, op een bepaalde manier, het voordeel. Er is een oud spreekwoord dat luidt “Hij die leeft door het zwaard, zal sterven door het zwaard”. Diegenen die zich verlaten op geweld zullen worden vernietigd door geweld. Dus is tijdens het oefenen van Aikido deze ‘omgekeerde spirit’ erg belangrijk. Men heeft een natuurlijke neiging om wat er ook gebeurt de gewoonte zijn eigen karakter te volgen. Maar wanneer men de weg bestudeert moet men voor eens en altijd zulke slechte gewoonten afleren door training. Je moet niet slechts de slechte kanten van je karakter opzij zetten, maar ook de goede. Als je dit niet doet, kunnen je ogen niet op een werkelijke manier geopend worden. Alleen wanneer je de goede en slechte kanten van je karakter buiten beschouwing laat, zal je in staat zijn, door oefening, de waarheid te verwezenlijken. Er zijn ontelbare technieken die voortkomen uit de basistechnieken en zij verschijnen spontaan op het juiste moment.
De ware technieken zijn die, die je volkomen hebt geleerd en hebt vergeten.